27 december 2021

Eindejaarsinterview Tijs van Lieshout, voorzitter Brandweer Nederland

‘Het werk van de brandweer is intens, ik vind dat mensen hierin goed begeleid moeten worden’

Als we terugkijken naar 2021, wat blijft je dan het meeste bij?

‘Het jaar is toch weer anders geworden dan we in het begin van het jaar hadden gehoopt. Ik ben er maar mee opgehouden te zeggen dat het weer een bijzonder jaar was, want alle jaren zijn bijzonder. Ook komend jaar zijn we namelijk nog niet van corona af, krijgen we de evaluatie van de wet en andere belangrijke thema’s, dus dat wordt ook weer een bijzonder jaar. Maar 2021 was nog een hele lange uitloop van corona waarbij wij samen de zaak heel ordentelijk bij elkaar hebben gehouden en de diensten zijn blijven verlenen die nodig zijn. We hebben een weg gevonden in de beperkingen die corona ons oplegt. De oefeningen zijn doorgegaan, alsook de paraatheid. De lessen van 2021 zullen we doortrekken naar 2022.’

Recent werd het regeerakkoord gepresenteerd waarin de woorden brandweer en veiligheidsregio ontbraken

‘Ik vind dat niet zo erg en begrijp het wel. De brandweer en veiligheidsregio’s staan ook niet in de top tien van de grootste problemen van dit land, zoals de stikstofproblematiek, de woningmarkt of ondermijnende criminaliteit. Ik kijk daar genuanceerd naar. Straks binnen het ministerie met wellicht een nieuwe minister komt er echt wel financiële ruimte die nodig is voor de versterking van de crisisbeheersing en voor kwaliteitszorg van ons vak. Taakdifferentiatie komt er ook nog aan, daar hangt ook een groot financieel vraagstuk onder. Dat dit niet op de voorpagina van een regeerakkoord komt vind ik eerder een compliment. Blijkbaar doen we het met z’n allen nog niet zo slecht.’

Blijkbaar doen we het met z’n allen nog niet zo slecht

De brandweer heeft het coronaproof werken behoorlijk eigen gemaakt, toch?

‘Dat denk ik ook, we hebben steeds een groep mensen verzameld met veel brandweerervaring die het land heeft geadviseerd wat je wel kunt doen met alle beperkingen. Het is belangrijk dat de verschillen in het land niet te groot zijn zodat we er last van krijgen, maar sommige dingen kunnen de korpsen ook zelf bepalen. Als in een gedeelte van het land wat meer besmettingen zijn dan elders, moeten er daar misschien wat meer restricties komen. We hebben daar een goede balans in gebracht en de maatregelen die we hebben genomen ook snel gecommuniceerd. Ook als ik naar mijn eigen korps kijk, dan hebben we extra hygiënemaatregelen moeten nemen, slim moeten aflossen en zitten we er boven op als er positieve testen zijn. Dan nemen we ze even uit de dienst, gaan we spoedtesten en laten we ze pas terugkeren als ze weer beter zijn. Wat ik er het meeste over hoor is dat collega’s het zo jammer vinden dat het zo rustig is op de kazernes. Veel mensen werken thuis en dan wordt het er ook niet gezelliger op.’

Tijdens het congres van Brandweer Nederland maakte jij je zorgen over de mentale gezondheid van brandweercollega’s

‘Ik vind dit een groot probleem dat heel lang onder water lag en steeds meer boven water komt. Ik denk dat veel mensen dit ook wel zien. Natuurlijk hebben de collega’s van korpsen die in een wat heftiger omgeving werken met incidenten die veel impact hebben, daar wat eerder last van. In mijn eigen korps in Amsterdam-Amstelland wordt misschien wel de helft van de ziekmeldingen veroorzaakt door mentale problemen, dat is fors. Bijkomend probleem is dat je het pas laat ziet aankomen. Het type brandweermens is meestal ook niet diegene die op dat gebied gelijk hulp gaat vragen, dat is met een kapotte knie wat gemakkelijker. We gaan naar hele intensieve programma’s voor mensen die hebben aangegeven hulp nodig te hebben. We kijken ook naar de achterban waar ook veel verdriet is omdat hun partner last heeft van PTSS. Dat zijn niet altijd fijne vaders en echtgenoten, hoor ik terug van partners. Dus langzaam nemen we een aantal stappen en ik denk dat we op termijn voor heel Nederland –met wat ik maar even een mentale PPMO noem– ook kijken hoe mensen er psycho-sociaal aan toe zijn. Het liefst zo professioneel mogelijk. We kunnen dat met een aantal korpsen langzaam maar zeker landelijk uitrollen. Dit is niet alleen een grootstedelijk probleem. Het werk van de brandweer is intens, zowel fysiek als psycho-sociaal. Ik vind dat onze mensen hierin goed begeleid moeten worden.’

Bekijk de speech op het Brandweerevent

Een ander thema dat landelijk en regionaal in de schijnwerpers staat is diversiteit en inclusie

‘Ik vind dat steeds een belangrijker onderwerp. Dat komt ook door de diversiteit binnen de omgeving waarin ik nu werk. Als mensen ons huis binnen treden moeten er niet alleen witte mannen en vrouwen zijn, maar ook collega’s met een andere culturele achtergrond. Diversiteit moet je gewoon doen en is breder dan alleen kleur of geslacht. Ik heb afgelopen jaren geleerd dat je er niet louter beleidsplannen op moet maken en een ‘commissaris’ diversiteit aanstellen. Daar heb je niets aan. Je moet in je aannamebeleid gewoon heel strikt zijn in alle functies op elk niveau. En ik merk dat als je dat doet de mannen en vrouwen met een andere culturele achtergrond zich meer thuis voelen omdat ze zich ook herkennen in het management of bij de mensen van bijvoorbeeld P&O. Het is toenemend belangrijk. Als wij in de komende jaren voldoende en goed gekwalificeerd personeel aan ons weten te binden, dan moet iedereen zich thuis voelen in de brandweerorganisatie. Anders krijgen we überhaupt niemand meer in bepaalde functies terwijl er wel veel talent rondloopt. Ik ben blij dat hier ook landelijk veel aandacht voor is en ik wil iedereen aanmoedigen hier gewoon stappen in te zetten.’

Diversiteit moet je gewoon ‘doen’ en is breder dan alleen kleur of geslacht.

Wat is de huidige stand van zaken van het thema taakdifferentiatie?

‘We hebben daar de ‘slag der juristen gehad’, als ik het zo mag noemen. We zijn eerst gevaren op het advies van professor Verburg die stelde dat je vier bouwstenen moet ontwikkelen die samen het onderscheid tussen vrijwilligers en beroeps zo groot maken dat dat houdbaar blijft onder de Europese wetgeving. Later zijn er twee andere juristen bij gekomen die hebben gezegd dat één bouwsteen misschien ook wel goed genoeg is. Ik moet zeggen dat professor Verburg zo sportief is geweest om ook met de twee andere juristen samen tot een nieuw advies te komen, zodat we geen tegengestelde adviezen hebben. Ze hebben geadviseerd om met de eerste bouwsteen aan de gang te gaan, dat is voorlopig voldoende en dat houdt in dat we vrijwilligheid ook weer echt vrijwillig maken. Iedereen die kazernediensten draait of die we inhuren in 24-uurs diensten als vrijwilliger of die in een bepaald rooster werken, moet dan deeltijd beroeps worden. Zij krijgen dan bijvoorbeeld een contract van een aantal uren per week op dezelfde voorwaarden als een beroeps. De overige vrijwilligers zijn dan echt de ‘vrije instroom’ vrijwilligers. Dit wordt nu uitgewerkt in een werkgroep onder leiding van Diemer Kransen. In maart verwachten we daar de eerste uitkomsten van. Daarna komen de andere vragen, zoals bijvoorbeeld wat dit allemaal betekent voor de hoofdwerkgever, wat voor de arbeidstijdenwet en wie gaat dit betalen? Is de nieuwe minister bereid te helpen en zijn of haar portemonnee te trekken? Ik zie dit nog niet in 2022 geïmplementeerd worden, dat zal echt 2023 of 2024 zijn.’

Jouw collega vice-voorzitter Jolanda Trijselaar stelde onlangs in haar column dat we op zoek moeten naar nieuwe vormen van vrijwilligheid, naast de bestaande ‘traditionele’ vrijwilliger

‘Ik denk zeker dat we meer kunnen differentiëren in taken, omdat we dan meer mensen aan ons kunnen binden. De vraag die je moet stellen is of bijvoorbeeld alle vrijwilligers in de toekomst in staat moeten zijn om een binnenaanval met ademlucht te doen, of kun je ook voorstellen dat we mensen aannemen die als een soort brandassistent als nummer 5 en 6 mee op de wagen gaan die bijvoorbeeld de waterwinning doen of andere buitentaken. Zij zouden de niet-ademluchtsdragers kunnen zijn, zij hoeven ook geen PPMO te doen en we kunnen dan minder fysieke eisen aan hen stellen. Ik vind dat een interessant concept. Maar dit soort voorbeelden moet je uiteraard heel goed uitwerken. We hebben in dit land een aantal brandweerkundige principes, we zijn een brandweerdoctrine aan het opbouwen. Ik hecht er wel aan om dit operationele concept van ‘hoe zetten we de brandweer goed in?’ vast te houden, te kijken hoe je dat dan doet en welke taken hierin zitten en wat je met twee man wel en wat niet junt doen, wat met vier en wat met zes. En wat kun je met een combinatie van volledig opgeleide collega’s en brandassistenten. Ik ben ervoor om dat heel goed uit te zoeken en hierover goede afspraken te maken met vakbonden en ondernemingsraden en daar goede opleidingen voor te maken. We moeten niet gaan hobbyen en onszelf te kort doen. Het moet een duidelijk verhaal zijn naar onze eigen mensen, naar het ministerie en naar het IFV. We hoeven niet alles in beton te gieten, maar eenheid van optreden op basis van een aantal kwaliteitsafspraken mag je van ons als branche verwachten.’

Lees de column Koersen en koesteren van Jolanda Trijsselaar

Welke thema staat in 2022 bovenaan op de agenda?

‘Dat is de Evaluatie van de Wet veiligheidsregio´s, dat vind ik een heel belangrijke. Hoe schrijven we nu een wet voor brandweerzorg en crisisbeheersing die ons in staat stelt de komende tien jaar ons vak te blijven uitvoeren op een veilige en innovatieve manier. Hoe kun je nu wetgeving maken die jouw nieuwe manier van optreden, jouw nieuwe kijk op risicobeheersing en dat wat de omgevingswet van ons vraagt, beschrijft en borgt? De kwaliteit van onze brandweerzorg mag niet door allerlei lokale of regionale ingrepen door het ijs zakken. Dit is een inhoudelijke zoektocht, er zitten allerlei vraagstukken in. Hoeveel brandweerzorg heb je nodig, wat is de definitie van kwalitatief goede brandweerzorg? Wat is de definitie van adequate crisisbeheersing? Wij moeten zelf als branche, als veiligheidsregio’s en als brandweer wel met inhoudelijke oplossingen komen, die uiteindelijk in een wet gegoten kunnen worden. Daar hebben we inmiddels een taskforce, onder leiding van Wilma Mansveld, voor opgericht met een team dat dichtbij het ministerie gaat zitten, zodat het denken van het ministerie parallel loopt met onze gedachtevorming. Hier komen in 2022 en 2023 grote vraagstukken vandaan. Het is ook de vraag wat er over taakdifferentiatie in de wet moet komen.’

Maak jij je zorgen over de jaarwisseling?

‘Dat valt mee, maar ik ben wel blij dat Esther Lieben met haar taskforce voor het voorkomen van geweld tegen hulpverleners vorderingen maakt en dat we daarin ook samen optrekken met landelijke partijen. Elk geweld tegen brandweercollega’s en andere hulpverleners moeten we voorkomen. Ik heb ook gezien dat het vorig jaar met het vuurwerkverbod nog een beetje meeviel. Ik ben niet heel pessimistisch, laten we hopen dat de jaarwisseling vooral gezellig is. Ik ben blij met de hele goede samenwerking en met de steun van de politie. Dan moet ik ook terugdenken aan dat verschrikkelijk moment in Rotterdam vorige maand waar collega’s door de politie letterlijk moesten worden ontzet en hun auto’s moesten achterlaten. Zo kan het dus tegenwoordig gaan. Laten we hopen dat deze excessen in de toekomst uitblijven.’

De brandweer wil naast professioneel en paraat toch ook gewoon een leuke club zijn met een belangrijke sociale component.

Wat wil je de collega’s in het land nog meegeven richting 2022?

‘Ik wil uiteraard iedereen bedanken voor hun inzet. We hebben als branche weer ‘geleverd’, ondanks alle coronabeperkingen. Ik heb dit jaar niet gehoord dat wij door corona niet konden uitrukken naar een incident omdat er geen mensen beschikbaar waren. Dat vind ik een groot compliment. Ik hoop de komende jaren een beroep te kunnen blijven doen op al die vrijwilligers en beroepscollega’s, want we zijn helaas nog lang niet van het coronamonster af. We moeten er als mens mee leren leven en als brandweer mee leren omgaan. We willen blijven oefenen, maar met het wegvallen van veel oefenavonden is er toch wel een gat ontstaan en dat is jammer. De brandweer wil naast professioneel en paraat toch ook gewoon een leuke club zijn met een belangrijke sociale component. We zullen een weg moeten vinden om dit gevoel, voor zover weggezakt, weer terug te krijgen.’

Stel een vraag
Sluit stel een vraag box